In een recente nieuwsbrief gaf het Agentschap voor Binnenlands Bestuur meer uitleg aangaande de toepassing van de inhouse regels op intergemeentelijke samenwerkingsverbanden onder de vorm van een opdrachthoudende vereniging (OV) of een dienstverlenende vereniging (DV). Het nieuwe decreet lokaal bestuur (DLB) heeft hierop namelijk een impact.

Wat is inhouse ook alweer?

Een intergemeentelijk samenwerkingsverband onder de vorm van een OV of DV kan (meestal) gekwalificeerd worden als een gezamenlijk inhouse constructie in de zin van artikel 30§3 Wet overheidsopdrachten 2016. Dat betekent dat de deelnemende besturen (gemeenten, OCMW’s,…)/ leden vrij (onderhands) overeenkomsten kunnen sluiten met betrekking tot dienstverlening van de OV of DV, zonder toepassing van de wetgeving overheidsopdrachten.

In house samenwerking (binnen een publiekrechtelijke rechtspersoon) is namelijk uitgesloten van het toepassingsgebied van de wetgeving overheidsopdrachten. Men spreekt daarom ook van de ‘inhouse-exceptie’.

Wanneer is sprake van inhouse?

Om beroep te kunnen doen op de inhouse exceptie, moet aan drie voorwaarden voldaan zijn:

Toezicht-criterium
Alle deelnemers hebben (rechtsreeks of onrechtstreeks) vertegenwoordigers in de Raad van Bestuur en de Algemene Vergadering. De deelnemers oefenen toezicht uit op het samenwerkingsverband zoals op hun eigen diensten.

Takent-criterium
Minstens 80% van de activiteiten van het samenwerkingsverband zijn toegewezen door en/of ten behoeve van de deelnemers (gemeenten, OCMW’s,…).

Geen Privé kapitaal
Het moet gaan om een ‘zuiver’ publiek intergemeentelijk samenwerkingsverband. Er is geen private deelnemer of privé kapitaal betrokken.

Wat is de impact van het decreet lokaal bestuur (DLB)?

In het kader van het Decreet lokaal bestuur (DLB) bedraagt het maximaal aantal leden van een OV of DV nog slechts 15. Dit is één van de wijzigingen ten opzichte van het intussen opgeheven Decreet Intergemeentelijke Samenwerking (DIS), die er kwam in de nasleep van het Publifinschandaal.

De beperking van het aantal bestuurders heeft voor gevolg dat niet elk lid (gemeente, OCMW,…) een ‘eigen’ vertegenwoordiger/ bestuurder kan afvaardigen naar de Raad van Bestuur (doch wél naar de algemene vergadering).

De vraag stelt zich dan of nog voldaan is aan het hiervoor vermelde ‘toezicht-criterium’.

Deze vraag wordt beantwoord in de FAQ van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur (ABB).

Welnu, artikel 30§3 van de wet overheidsopdrachten bepaalt expliciet dat één bestuurder (persoon), meerdere deelnemers/ leden kan vertegenwoordigen. Onrechtstreekse vertegenwoordiging in de Raad van Bestuur is dus mogelijk. Zo kan een gemeenteraadslid van één gemeente in de Raad van Bestuur niet alleen de eigen maar ook een andere gemeente vertegenwoordigen.

Dit is meteen de oplossing voor het probleem. Twee of meer besturen kunnen dezelfde vertegenwoordiger/ bestuurder aanduiden die hen samen vertegenwoordigt in de Raad van Bestuur.

 

Geerts/ Denayer specialiseert in administratief recht en lokaal bestuursrecht. Laat uw statuten nakijken op conformiteit met de in house regels.